De deur naar boosheid; boosheid in verbinding

0

De deur naar boosheid: leegte of passie
Ik loop door een smalle gang. Het is er grijs, grauw, geen daglicht, aan weerszijden deuren, allemaal deuren. Met naambordjes: Verdriet. Angst. Dwaling. Rouw…. Zo…. Gezellig. Waar is de gang met deuren naar vreugde, creativiteit, levenslust, vrede? Ik loop verder. Pijn. Wanhoop. Uitputting. Boosheid. Ik blijf staan bij de deur met boosheid. Merk ik. Loop maar door Lisette. Maar ik loop niet door. Ik blijf staan. Mijn blik gaat van boosheid naar de deurklink en van de deurklink weer naar boosheid.

‘Gaat je verhaal over boosheid?’ Reageert een vriendin verrast. ‘Dat is wat in deze tijd waarin we juist liefde nodig hebben.’ Ja, dat is wat. In deze tijd waarin juist zoveel boosheid tot uiting komt, face tot face, of in de veiligheid van een stemhokje. Een tijd waarin zoveel strijd is, zoveel tegen. Wat je aandacht geeft, groeit, zeggen we altijd. Dus waarom zou ik mijn loep op boosheid leggen?

Het klinkt misschien gek, maar ik voel verlangen naar boosheid. Me kwaad maken, ergens voor gaan en staan! Ik verlang naar passie, naar vuur voelen, naar beweging, daadkracht. Ik ben de laatste tijd vooral veel moe, kom moeilijk in beweging, er komt weinig uit mijn handen, er gaan af en toe wel allerlei ideeën door mijn hoofd, ik heb bijvoorbeeld al zoveel titels voor verhalen, er gebeurt genoeg in de wereld om een vuist voor te maken, maar het vuurtje dooft ook steeds weer. Sta ik daarom voor die deur?

Thuis kan ik boos zijn, en flink ook. Elke keer als ik keihard met de deur knal, schrik ik er zelf van. Want er valt nog eens een schilderij van de muur of de deur zelf ligt eruit. Ik kan niet een beetje boos zijn, als ik boos ben, moet de ander het ontgelden. Ik verhard naar mezelf, word boos op mijn eigen boos zijn. En verbaal kan ik keihard zijn. Naar mezelf en de ander. Buiten de thuisomgeving is het compleet anders. ‘Lisette, je mag wel wat meer met de vuist op tafel’. Eén keer ben ik echt boos geworden op een collega, tevens mijn baas. Ik viel uit, trots op mezelf dat ik dit eindelijk eens deed, ik was het dan ook echt zat. ‘Je luistert niet!’ Hij keek me strak aan, zei ‘hier gaan we niet naartoe’ en liep weg. Deur achter zich dicht.

Tijdens een les ‘mindful zingen’ heb ik een keer voluit geluid gegeven aan boosheid. De oefening was: geluid geven aan pijn. Met een extra zetje van de juf kwam er bij mij een tsunami los, ik voelde me een flamenco zangeres, het ging door merg en been, en toch prachtig. En wat een kracht. ‘Dit vind ik niet normaal,’ zei een van de deelnemers, ‘ik ga weg,’. Ik zie nog die deur achter haar dichtgaan.
Boos zijn. Hoe doe je dat, boos zijn? Zonder te heftig te zijn, zonder dat de verbinding verbreekt?


Boosheid is niet oké, achter de deur ermee
De kikker was boos. Zijn kop werd steeds roder. Hij stampte, hij brieste, hij donderde. Vanaf de waterkant sprong hij het water in en stormde er doorheen met ferme slagen, heen en weer, en heen en weer terug. Paars was hij toen hij onder water verdween.

De reiger had het spektakel aanschouwd. Hij schudde zijn kop. Schaamteloos. Die maakt zichzelf totaal belachelijk met zijn emotionele gedrag. Onfatsoenlijk. Geen greintje respect voor zijn omgeving. De reiger zelf was natuurlijk het toonbeeld van ijzeren beheersing.  En natuurlijk, soms moest een reiger zijn boosheid laten gelden, in uiterste gevallen. Ter bescherming van het ecosysteem. Maar dan altijd nog op een beschaafde manier. Dit? Onfatsoenlijk. Primitief.

Afgelopen maandag zag ik een tv-fragment waarin Martin Schulz, voorzitter van het Europees parlement, spreekt over populisme. “We moeten ons luid en duidelijk verzetten tegen deze populisten,’ zegt hij. ‘Laten we een opstand der fatsoenlijken organiseren.” Applaus.

Tv op pauze. Huh. Wat heb ik zojuist gezien? Verzet tegen wat er is. Fatsoenlijk boven onfatsoenlijk. Weldenkendheid boven emotioneel. Daar raakt het mij. Ik veroordeel dat hij boosheid niet serieus neemt en wegzet als ‘onfatsoenlijk’ en zichzelf er als fatsoenlijk boven plaatst en ‘in het tegen’ gaat. Ik oordeel net zo hard over hem. Ik plaats mezelf boven deze man met mijn gedachte: “die heeft niks van het leven begrepen.”

En. Ja, dit verzet ken ik ook goed. Tegen mijn eigen boosheid.

Als zoveel mensen boos zijn en elkaar veroordelen, hoe komen we bij elkaar, in verbinding?
Als ik mezelf veroordeel als ik boos ben, hoe kan ik zijn met de boosheid van de ander?
En, waar was dit hele verhaal mee begonnen? Hoe kom ik ooit met mijn passie en vuur en in verbinding als ik niet boos mag zijn van mezelf?

Wat hebben we, als kind al, toch geleerd om vooral niet te heftig te zijn. Wees maar niet bang. Wees maar niet verdrietig. Doe niet zo boos. ‘Als blikken konden doden,’ zei mijn moeder tegen mij, ‘dan waren we nu allemaal dood geweest.’ Tel tot tien. Gedraag je. Tja, de reiger snapt dat. Gedraag je. Wil je als mens sociaal, zeker en kundig overkomen in het alledaagse leven, is het wel zo handig om die wilde en onopgevoede kinderen in de kamertjes te houden. Deuren dicht. Achter die deuren, kunnen ze je niet zomaar lastig vallen met ongewenst gedrag. Wat ons niet bevalt, duwen we weg.


Door de deur van boosheid, en dan?
Ik duw de deurklink naar beneden. Ik stap naar binnen. Wat een opluchting. De kamer is leeg. Er zijn ramen. Er is licht. Het is dag. Ik verwachtte dat het donker zou zijn, of halfdonker met een lullig peertje in het midden. Ik verwachtte dat ik hier een kind zou aantreffen, verwaarloosd, weggeduwd achter de deur vanwege haar heftigheid. Mezelf. Een hoopje ellende. Of juist schreeuwend en tierend, buiten zichzelf. Maar er is hier niemand. Het is leeg. Ik voel me leeg. 

En dan besef ik dat ik het weer allemaal mooi bedacht had. Dat ik op mijn moment de deur zou openen. Om oog in oog te staan met mezelf en boosheid. Ik zou een innerlijk boos kind in de armen sluiten. Doorbraak bereikt. En we leefden nog lang en gelukkig.

Dat had ik bedacht. En ook dat er zoveel vernietigende boosheid is in de wereld omdat we eigenlijk niet boos mogen zijn. Dat als we boos mogen zijn, de boosheid minder wordt. En dat als een ieder zichzelf zou verbinden met de eigen boosheid, dat we dan pas met compassie zouden kunnen kijken naar de boze ander, naar de pijn en frustratie die daarachter ligt. En dat brengt verbinding. Dat had ik allemaal bedacht.


Met mijn oor tegen de deur, ik wil je leren kennen
Ik ben een jaar of 9. Ik zie door het raam mijn zusje met haar vriendinnetje voorovergebogen staan boven de natte terrastegels. Ze zijn met stokjes in de weer. Met stokjes klieven ze regenwormen doormidden. Hoe! Kunnen! Ze? Woest ben ik. Ik storm naar buiten. ‘Ophouden. Stoppen! Ik jaag ze weg. Hoe kunnen ze? Ik ben nadien nog verbijsterd en verdrietig over zoveel wreedheid.

Ik sta weer op de gang en leun tegen de dichte deur. Met mijn oor ertegenaan. Tranen. ‘Sorry,’ zeg ik tegen de andere kant. ‘Sorry dat ik de deur elke keer dichtknal als je boos bent. Sorry dat ik je verafschuw als je nog bozer wordt. Sorry dat ik je alleen heb gelaten met je frustratie, met je pijn. Ik dacht, ik zoek je op. En dan… Maar boosheid is niet iets om op te zoeken geloof ik. Dat gebeurt. Als het gebeurt, dan kom ik naar deze deur, dan doe ik open. Of… doe jij open? We kunnen ook wat praten, zoals nu, door de deur. Of. Als je boos bent, dat ik, nouja, dat ik dus. Hier bij de deur. Met jou.’

De kikker kwam weer boven water en klom op de kant. Hij hijgde wat na. Zuchtte een keer.

‘Ik was boos,’ zei hij tegen de reiger.
‘Goh.’
‘Op jou reiger.’

De deur op een kier.

 

 

No Comments Yet.

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *