Het aardmannetje

0

‘Volgens de reiger besta jij niet,’ zei de kikker.
‘Volgens wie wat?’
‘Mijn vriend, de reiger,’ legde de kikker uit.
‘Als ik hem vertel dat ik met een kabouter heb gepraat, vindt hij mij een zweefkikker.’
Het mannetje trok een grijns zo breed als hij breed was.
‘Ha, ik ben een aardmannetje, aardser kan niet.’
De kikker bekeek het mannetje. Met zijn gele baard en zijn bruinrode muts. Hij leek van klei. Of steen. Een stukje boomschors?
‘Geloof mij maar,’ zei het aardmannetje, ‘aardser kan niet, vertel dat maar aan die vriend van je.’
‘Hij gelooft mij nooit,’ zei de kikker met een zucht, ‘pas als hij je met eigen ogen ziet.’
Het aardmannetje schudde zijn hoofd. ‘Als de reiger mij niet wil zien, ziet hij mij niet.’
‘Jawel, roep naar de reiger en ik zal naar je wijzen!’
Weer die horizonbrede grijns. ‘Stel je maar eens voor dat je de reiger bent,’ zei het ventje.
De kikker ging wat rechter zitten, begon te fronsen, stak zijn kin schuin omhoog en probeerde zo wijs en interessant mogelijk uit zijn ogen te kijken.
Warempel, hij zag steeds meer klei en minder grijns, steeds meer steen en minder muts, steeds meer schors en minder baard.
Het aardmannetje verdween.

 

 

 

1 Comment

Leave a Reply

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *